******
Zwolle, Dominicanerkerk  St.-Thomas van Aquino
Homepage Orgels Huidige Dispositie Grote Foto
    • Geschiedenis van het klooster
    Tegen het oude stadscentrum van Zwolle aan, in de wijk Assendorp, ligt het gebouwencomplex van Dominicanenklooster en kerk. Het geheel is opgetrokken in een stijl die teruggrijpt op de gotiek, met hoog oprijzende spitsbogen in ramen en gewelven. Op 3 mei 1900 werd de eerste steen gelegd en twee jaar later kwam de bouw gereed. Gezien de omvang van het gebouw was dat een indrukwekkende prestatie. Kerk en klooster staan op de Monumentenlijst en de restauratie van de kerk is, na 12 jaar steigers, in 1995 voltooid. 
    Tot 1965 fungeerde de kerk als open kloosterkerk. In dat jaar werd besloten tot de oprichting van het rectoraat (parochie) St. Thomas van Aquino. Naast liturgische vieringen, leent de kerk zich uitstekend voor o.a. concerten, lezingen, rondleidingen en tentoon stellingen. 
    Het klooster diende tot 1967 als opleidingshuis voor jonge Dominicanen. Op drie etages bevinden zich nu woonruimtes en kantoren; op de begane grond allerlei zalen, gelegen aan een monumentale kloostergang rond een binnentuin.
    Dominicanen wonen er nog steeds, maar hebben het beheer van kerk en klooster in 1995 overgedragen aan de Stichting Doorgang.


Zwolle Dominicanerkerk

    • Het Orgel
    Opvallend in het interieur van deze ruime neogotische kerk is dat de absis niet wordt afgesloten door een altaar met opstand, maar door een orgel - voor een rooms-katholieke kerk uit die periode een unicum.

    1911/12 : 
    Het orgel wordt gebouwd door P.J. Adema en Zonen en opgesteld in het koor van de kerk tegen de oostwand. Van een aantal stemmen is het pijpwerk nog niet geplaatst.
    Het rijk gesneden en van veel verguldsel voorziene front is een ontwerp van de architect Jan Stuyt. Het is een duidelijk architectenfront waarbij elke organische binding met het binnenwerk ontbreekt. Hoewel het front een open opstelling doet vermoeden wordt het binnenwerk toch afgedekt door een plafond.
    Blikvangers zijn de twee octogonale overhoekse torens die de beide zijgedeelten afsluiten. Aan de buitenzijde bevinden zich spitse en gedeelde torens met licht concave vlakken, die maar nauwelijks hoger zijn dan de ernaast gelegen gedeelde velden. Het lage middendeel van het front springt terug ten opzichte van de zijdelen en schept op die wijze ruimte voor de vrijstaande speeltafel. Hier zorgt een vooruitspringend centraal deel, waarvan de blindering van de bovenzijde van de pijpen bestaat uit gestoken drie- en vierpassen voor enige verlevendiging. In het ontwerp kan men, afgezien van het middendeel, nog steeds een opstelling in twee in de diepte verlopende kassen onderscheiden, zoals die bij meerdere Adema-orgels te vinden is. Kenmerkend voor de stijl zijn tevens de vergulde teksten die op de bekroning van de torens en op de achterwand van de speeltafel voorkomen. 
    Op de torens staat: Laudate Dominum in chordis et organo (Psalm 150:4) en op de speeltafel Quisfacis angelos tuos spiritus (Psalm 104 (103):4).

    Het Hoofdmanuaal staat opgeteld achter de 16-voets torens op C- en Cis-lade (C-lade rechts), de grootste pijpen aan de buitenzijde. Het Pedaal staat achter de laden van het hoofdmanuaal met een stemgang ertussen, C-lade rechts. Het Reciet staat achter het middengedeelte, in een V-vorm, met de C-zijde rechts.

    Het instrument werd uitgerust met pneumatisch gestuurde membraamladen volgens het systeem van Nöhren. De tractuur van deze registercandelladen functioneert met twee winddrukken. Op elke pijp bevond zich een kokertje (een zogenaamd voetje), dat werd afgesloten door een rond membraam in een membraamlat. De membramen worden door hoge winddruk in de membraamlat tegen de koker gedrukt zodat de pijp van de wind wordt afgesloten. Wordt de toets ingedrukt, dan valt de winddruk in de membraamlat weg en sluit het membraam het kokertje niet meer af. Bij de registers die openstaan kan de winddruk uit de registercancel dan de pijp via het kokertje bereiken.
    In de vrijstaande speeltafel werd de registratuur ter weerszijden van de klavieren in drie rijen terrasvormig aangebracht. De registers kregen palissander knopjes met schuin naar de bespeler toegewende porseleinen plaatjes in de kop. Drie vrije combinaties waren als trekkertjes in horizontale rijen boven de klavieren aangebracht. Koppelingen en Combinatieregisters werden middels treden bediend.

    1916 :
    Verdere afbouw volgt, waarbij de volgende 7 stemmen worden toegevoegd : Op het GO : Gamba, Cornet en Klaroen; op het Reciet : Viola major en Nachthoorn; op het Pedaal : Violoncel en Openfluit.

Dispositie  1916     *= pijpwerk niet geplaatst
I Groot Orgel II Reciet expressief    Pedaal
Prestant       16'
Bourdon        16'
Prestant        8'
Salicionaal     8'
Gamba           8'
Fluit harmoniek 8'
Holpijp         8'
Octaaf          4'
Fluit octaviant 4'
Octaaf          2'
Mixtuur     II-VI
Cornet disc     V
Trompet         8'
Klaroen         4'
Viola major  16'
Prestant      8'
Viola         8'
Vox Celeste   8'
Dwarsfluit    8'
Nachthoorn    8'
Aeoline       8'
Quintadeen    8'
Violine       4'
Fluit douce   4'
Piccolo       2'
Clarinet*     8'
Fagot-Hobo    8'
Contrebas    16'
Subbas       16'
Openbas       8'
Violoncel     8'
Gedekt        8'
Openfluit     4'
  • Tractuur: pneumatische kegelladen
  • Mixtuur : is een zg. progressio, dus repeteert niet.
  • Tongwerken: vervaardigd door de Gebr. Franssen te Roermond volgens Frans romantische traditie.
  • 1933 :
    Een brand teisterde het klooster. Daarbij liep door de hitte en het bluswater het orgel schade op. Joseph Adema maakte een rapport op. naast vernieuwing van de membramen en schoonmaak van het instrument was ook de vervanging van het interieur van de speeltafel noodzakelijk. De nieuwe indeling was vrijwel identiek aan de oude; wel werden toegevoegd een automatisch pedaal met registerknoppen voor de instelling bij spel op manuaal II, een generaalcrescendo en de octaafkoppelingen I+I sub, I+I super en II+II sub.

    1946 : 
    Door Hubert Schreurs wordt het orgel enigszins gewijzigd in neoklassieke zin. Op het Reciet werden de Quintadeen afgekort tot een Roerfluit 4' met inwendige roeren, de fluit 4' werd een Nasard 2 2/3', de Aeoline 8' een Flageolet 2', overblazend vanaf c° en de Piccolo werd omgebouwd dot Terts 1 3/5'. Bij de meeste van de wijzigingen werd bijna al het oorspronkelijke pijpwerk gebruikt. Op de voor de Clarinet 8' gereserveerde plaats kwam een nieuwe Mixtuur 1 1/3', 4-5 sterk.

    1947 : 
    Op het Reciet wordt een Vox Humana bijgeplaatst. Het pijpwerk is afkomstig van het Adema-orgel van de St-Josephkerk te Haarlem.

    1961 : 
    Wederom wordt een grote onderhoudsbeurt uitgevoerd. Ook nu wordt de klank weer in neoklassieke zin omgebogen. De Mixtuur van het hoofdmanuaal krijgt in de bas een 1-voetskoor extra en de Gamba wordt vervangen door een Cymbale 1/2' 3 sterk, die terwille van de bereikbaarheid op een bank wordt geplaatst. Van de Cornet worden de te hoge opsneden verlaagd en de Klaroen wordt gereviseerd. Op het Reciet wordt een Trompet 8' geplaatst en het Pedaal wordt verrijkt met een Bazuin 16' en een Trombone 8', alle van Franse makelij. De registertractuur wordt geëlektrificeerd. Het vernieuwde instrument wordt op 22 februari 1962 ingespeeld door Albert de Klerk.

    1978 : 
    Elektrificatie van de toetstractuur.
     

    De Huidige Dispositie
    Grote Foto
    laatste bewerking :  21-06-2000